Grijs en windstil
Twee weken geleden leerde ik tijdens een les landbouwgeschiedenis dat jagers-verzamelaars tegenwoordig steeds vaker verzamelaars-jagers worden genoemd. Omdat er in veel samenlevingen waarschijnlijk meer verzameld werd dan gejaagd. Vind ik leuk. Duizenden jaren geschiedenis en dan komen we er nu achter dat we misschien vooral erg onder de indruk waren van mannen met speren.
Ook het beeld dat ik op de basisschool meekreeg, kan enige bijstelling gebruiken: harige mensen die de godganse dag in hun nakie achter een mammoet aan renden om niet te verhongeren. Onderzoek onder jagers-verzamelaars liet in ieder geval zien dat voedsel bij elkaar krijgen lang niet altijd een fulltimebaan was. Een beroemd onderzoek kwam zelfs uit op zo’n twaalf tot negentien uur per week. Daar kunnen wij met onze veertigurige werkweek nog een puntje aan zuigen. Al telden ze dan weer niet mee hoeveel tijd er daarna nog in het pellen van nootjes, maken van gereedschap en andere huishoudelijke ongein ging zitten.
Niet per se het luizenleventje dat ik hier nu van probeer te maken. Kindersterfte, infecties en opgegeten worden door een sabeltandtijger lijken me ook vervelende secundaire arbeidsvoorwaarden. Maar het beeld van de hele dag jagen voor je leven mag in ieder geval de prullenbak in. Wat deden ze dan met de rest van hun tijd? Praten. Slapen. Dingen maken. Elkaar irriteren. Ruzie over wie er nou weer alle bessen had opgegeten. Work-life balance avant la lettre.
Waarschijnlijk hadden ze toch iets te veel tijd om elkaar te irriteren, want ze gingen eten zelf verbouwen. Fast forward. Landbouw. Nog een fast forward. Zo ging de les ook. Iedereen verbouwt dingen. We worden er steeds beter in. Er komen machines. Kunstmest. "Gewasbeschermingsmiddelen”. Grotere percelen. Grotere machines voor die grotere percelen. Na de Tweede Wereldoorlog krijgt dat in Nederland helemaal vaart. Nooit meer honger, is het idee. De voedselproductie moet omhoog. Boerenbedrijven moeten moderniseren. Specialiseren. Efficiënter worden.
Efficiëntie is sowieso een woord dat verdacht vaak terugkomt in de geschiedenis van de landbouw. Meer opbrengst per hectare. Meer melk per koe. Minder arbeid per kilo aardappel. Een grotere machine zodat je sneller over het land kunt, waarvoor je grotere percelen nodig hebt, waardoor sloten en heggen in de weg liggen, waarna je met die grotere percelen inderdaad weer heel efficiënt met je grotere machine over het land kunt.
De mens houdt van efficiëntie. Ik merk het zelf ook, sinds ik op een kleine tuinderij werk. Kan ik dit in één keer meenemen? Als ik toch naar de schuur loop, wat moet daar nog meer heen? Kunnen we met de kratten een treintje maken? Kan ik nu schoffelen of is de klei nog te nat?
Dat laatste begint mijn leven langzaam over te nemen. Nee, niet de klei. Hoewel ik daar inmiddels ook bovengemiddeld vaak aan denk. Het weer. Niet op een dramatische manier hoor. Het is nog niet heel lang geleden dat ik van de daken schreeuwde dat Buienradar ons de kans ontneemt om af en toe gewoon als een verzopen kat thuis te komen en daar om te lachen. Dus ik heb nog steeds geen regenmeter naast mijn bed. Maar regen is niet langer regen. Regen is: eindelijk. Of: kut, de grond is straks te nat om erop te kunnen. Zon is: mooi, maar hoe lang al? Wind is: joepie. Of juist: godver. Grijze lucht en windstil blijkt een volkomen andere weerscategorie dan grijs met wind.
Dat onderscheid bleek vrij relevant tijdens een rondleiding bij een biologisch-dynamisch landbouwbedrijf. We stonden in een kringetje op het erf te wachten op onze docent, zoals een groep ongemakkelijke scholieren betaamt. Dat we inmiddels allemaal volwassen zijn maakt geen reet uit. Zet scholieren op een onbekend erf met een akkerbouwer voor hun snuffert en ineens weet niemand meer waar je je handen laat of wie er moet beginnen met praten. We beschikken kennelijk nog niet over de sociale landbouwvaardigheid die onze docent vijf minuten later demonstreert.
Hij komt als laatste aanlopen. Zelf tuinder. Geeft de akkerbouwers een hand en er verandert iets aan zijn houding. Niet groot genoeg om precies aan te wijzen, wel genoeg om het te zien. Alsof hij even uit zijn rol stapt en als tuinder bij de grote jongens met machines op het schoolplein mag hangen. “Hé jongens, hoe is het hier? Beetje druk?” En vrijwel meteen gaat het over het weer. Grijs geweest. Windstil. Ze hadden juist zon en wind nodig. Iets over vocht. Wanneer ze het land weer op konden. Wat er nog moest gebeuren.
Daarna pas begint de rondleiding. Eerst de machines. Veel machines. Ploegen, frezen, zaaimachines, dingen waarvan ik de functie zelfs na uitleg verkeerd zou omschrijven. De boer praat snel, met veel woorden die hij niet uitlegt omdat het voor hem waarschijnlijk ongeveer hetzelfde is als uitleggen dat je soep met een lepel eet. Ik knik regelmatig alsof ik al jaren aardappelen teel. Kennelijk doen mijn klasgenoten hetzelfde want af en toe grijpt de andere boer in. “Ik zie jullie allemaal wel knikken, maar weten jullie dan wat capillaire werking is?” Nee. Verder.
We lopen over het erf, langs de akkers, de machines, de opslag. Er wordt gepraat over grond, vocht, timing, zaaien, oogsten, wat wel kan en wat nog niet. En over voelen. We staan bij een grote bak droogbonen. Een klasgenoot vraagt hoe je weet wanneer ze droog genoeg zijn. De akkerbouwer steekt zijn hand tussen de bonen. Voelt even. “Als ze droog zijn.” Boerenverstand.
Maar hoe langer we rondlopen, hoe meer ik begin te begrijpen van de begroeting waarmee de middag begon. Je kunt van alles plannen, uitrekenen, mechaniseren en efficiënter maken, maar uiteindelijk moet buiten ook een beetje meewerken. Of juist opdrogen. Of waaien. Of eindelijk eens stoppen met regenen.
Grijs. Windstil. Deze boeren hadden de afgelopen twee dagen zon en wind nodig. Daarom praten we over het weer.
Ik heb praten over het weer altijd beschouwd als het absolute nulpunt van een gesprek. De plek waar je terechtkomt als twee mensen echt helemaal niets meer van elkaar willen weten. “Nou, het is wel weer een stuk frisser hè?” “Ja, gisteren scheen de zon nog.” “Nou.” Einde menselijk contact. Koetjes en kalfjes. Zelfs als een gesprek nergens over gaat, halen we er blijkbaar nog landbouw bij.
Terwijl dat gesprek tussen die drie mannen juist wel ergens over ging. Ze hadden elkaar in een paar zinnen behoorlijk veel verteld. Hoe staat het land erbij? Kun je erop? Loop je achter? Kun je oogsten? Heb je een probleem? Heb je het druk? Ze hadden het over het weer, maar wisten ondertussen hoe het ervoor stond.
Voor een groot deel van de bevolking was het weer eeuwenlang veel bepalender voor het dagelijks leven dan het voor mij ooit is geweest. Het bepaalde wanneer je werkte, wat er groeide, wat er mislukte, wat er te eten was en hoeveel je verdiende. En op het land doet het dat nog steeds. Je kunt nog zo efficiënt willen zijn, maar als het drie weken regent, kun je met je hele planning de pot op.
Misschien is praten over het weer dus helemaal niet begonnen als praten over niks. Het was belangrijke informatie. Hoe staat het land erbij? Kun je erop? Kun je oogsten? Heb je straks genoeg te eten? Inmiddels staan een hoop van ons een behoorlijk eind van dat land af. Het weer bepaalt niet meer rechtstreeks of er brood op de plank komt, maar we praten er nog steeds over. Als een soort cultureel fossiel waarmee we gesprekjes aanknopen met buren, collega’s en onbekenden.
“Warm hè?”
Oh.
Daarom praten we over het weer.