Warm hè?

Volgens mij zijn Nederlanders nergens zo goed in als praten over het weer. Deze week bleek dat ineens een verrassend nuttige eigenschap. Het kan je niet zijn ontgaan.

Warm hè?

Bij ons in de Jordaan is dat inmiddels geen vraag meer. Het is een begroeting.

'Warm hè?'

'Ja, warm hè.'

'Warm hè?'

'Ja.'

Dat krijg je dus als je op een soort openluchtcamping woont. Al vijf jaar hoor ik mijn buurman in het hofje na het tandenpoetsen de volledige inhoud van achter uit zijn keel naar voren halen. Zijn gezicht? Geen idee. Zijn keelgeluid daarentegen herken ik uit duizenden.

Ik weet inmiddels precies waar de andere buren altijd over kibbelen en kies onbewust zelfs een beetje partij als de ruzie over de afstandsbediening door mijn open ramen naar binnen waait. 'Zij had 'm inderdaad gisteren al.'

Oh, en ik weet niet hoe dat voor jullie is, maar meeleven met het seksleven van onbekenden is emotioneel ingewikkelder dan je zou denken. Ik gun echt iedereen een geil, bruisend liefdesleven. Ik wil alleen ook dat het boven mijn hoofd als de wiedeweerga stopt. Ik hoef er niet ritmisch van op de hoogte gehouden te worden.

Maar met deze hitte gaat de openluchtcamping nog een stukje verder open. Niet alleen de ramen en deuren. Ook de mensen. Ineens deelt iedereen tips. Over overdag juist alles dichthouden. Over 's avonds ramen tegen elkaar openzetten. Over natte handdoeken. Over welke ventilator nou écht de beste is.

Een vriendin zegt: 'Ik heb er een dagtaak aan. Doeken voor de ramen, wekkers zetten zodat de ramen weer open kunnen en verder gewoon alles heel langzaam.'

Iemand vertelde dat hij gisteren twee pakketjes wilde ophalen. 'Bij het eerste dacht ik: dit gaat nog. Bij het tweede dacht ik: laat maar.'

En het mooie is: niemand kijkt daar raar van op. Er is een soort algemeen begrip ontstaan dat dingen vandaag misschien niet doorgaan. Dat iedereen wat langzamer beweegt. Keep it cool.

Mijn buurvrouw vraagt me op de koffie en zet me trots voor haar nieuwe ventilator. Alsof ze haar kleinkind voorstelt. 'Hij heet Duux.' Ik bied mijn buurman van drie hoog mijn sleutel aan, zodat hij beneden op mijn bank kan zitten als het boven te heet wordt. De postbode slaat het ijsje dat ik aanbied af: ‘ik krijg bij elk huis iets aangeboden. Ik moet wel een beetje aan mijn bikinibody blijven denken.’

Een paar huizen verderop zit een oudere dame met haar hoofd hangend naast een boodschappentas. Je kent dat moment wel. Ga ik me ermee bemoeien of niet? Ik besluit van wel.

'Gaat het?'

'Nee.'

'Kan ik helpen dragen?'

Ze schudt haar hoofd slapjes.

'Een glaasje water misschien?'

Na een korte stilte knikt ze. Ze vertelt dat ze niks heeft gegeten en moet overgeven van de warmte. Dan haakt ze haar arm in de mijne. Samen schuifelen we naar haar huis. Ik zet de boodschappentas binnen, geef haar nog een glas water en mijn telefoonnummer. Mocht er de komende dagen nog een boodschap gedaan moeten worden.

Ik liep een beetje op een roze saamhorigheidswolk. Tot ik mijn telefoon opende.

'Hitteongelijkheid.'

Bij de een is het 31 graden in huis, bij de ander 23. Ineens leek het alsof er nog maar één verhaal overbleef. Wie geld heeft, koopt verkoeling. Wie geen geld heeft, moet de hitte maar zien te overleven. Natuurlijk bestaat die ongelijkheid. Natuurlijk zijn er mensen die veel harder worden geraakt dan ik. Ik besef me heus dat ik op de begane grond woon, met mijn auto een verkoelende boom op kan zoeken en mijn hond zo nodig bij mensen met een koel souterrain logeert.

Maar wat me stoorde was iets anders. Ik had net een week lang gezien hoe een buurt zichzelf koel hield. Met open ramen en deuren. Met een bank die je uitleent. Met een glas water. Met mensen die elkaars boodschappen dragen. Met de collectieve afspraak dat vandaag misschien niet alles hoeft.

En toch leek de oplossing weer vooral een aankoop. Alsof verkoeling alleen uit een apparaat kan komen. Alsof geld de enige vorm van veerkracht is die we nog herkennen. Wat me dwarszit is dat we een collectief probleem steeds weer vertalen naar een individuele aankoop. Alsof de oplossing voor een opwarmende wereld is dat we ons allemaal terugtrekken in onze eigen gekoelde doos.

We lijken eerder een airco te vertrouwen dan een buur. Nou, daar krijg ik misschien verdomme nog wel meer een zweetsnor van dan van die hele bloedhitte.

Begrijp me niet verkeerd. Als het volgende week weer 36 graden wordt, lig ik hopelijk ook gewoon lepeltje-lepeltje met een Duux. En ja, ik doe mijn deur ook pas open als dat volgens het nationale hitteprotocol mag. Maar laten we alsjeblieft niet vergeten dat de mooiste verkoeling die ik deze week zag geen stekker had.

Die zat in een buurvrouw die koffie zette.

In een onbekende die haar arm in de mijne haakte.

Een straat waar 'warm hè?' ineens een begroeting werd.

En misschien is 'warm hè?' deze week wel de goedkoopste en minst vervuilende vorm van klimaatadaptatie die ik ben tegengekomen.

Volgende
Volgende

Activisme met een bekakte R